Toezicht op donatiecrowdfunding. Niet zo eenvoudig

Het is hommeles rond donatiecrowdfunding. Het inmiddels offline gehaalde platform Dream or Donate haalde de voorpagina’s met verdwenen donaties en mensen die naar hun geld kunnen fluiten. Direct stak daarbij de discussie de kop op over toezicht en controle op de manier waarop platformen met donaties omgaan. Op Radio 1 pleitte lector Lex van Teeffelen voor twee basisregels. Een, verplicht platformen om gebruik te maken van een derdengeldenrekening. Twee, stel het CBF-keurmerk van de goede doelensector verplicht. Met de eerste ben ik het van harte eens. De tweede klinkt nuttig, maar is helemaal niet zonder problemen. 

Dat komt doordat donatiecrowdfunding, anders dan crowdfunding waarbij leningen of aandelen worden verstrekt, nogal verweesd is in toezichtsland. 

AFM en DNB komen als eerste met regels

Aanvankelijk wist niemand raad met toezicht op crowdfunding. Wilde je iets met bedrijfsfinanciering doen, dan kon je als platform redelijk eenvoudig een ontheffing krijgen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB). Voor het innen van donaties kon dat niet. In mei 2011 gaven die toezichtshouders de eerste handreiking uit over hoe met toezicht op crowdfunding omgegaan moest worden. Sindsdien is de stelregel ongeveer dat crowdfunding waarbij sprake is van donaties of sponsoring niet onder de toezichtsregimes van AFM en DNB vallen.

Erkenning als goed doel dan maar?

Veel op donaties gerichte platformen hebben altijd dichter aangeschuurd tegen de goede doelensector. Daar heb je niets van vergunningen- of ontheffingsplicht, en eigenlijk alleen de ANBI-status en de CBF-erkenning als labels die iets zeggen over betrouwbaarheid. De fiscus laat er echter geen misverstand over bestaan dat de ANBI-status geen keurmerk is, maar een fiscale voorziening voor giftenaftrek. Dat de ANBI-status in de praktijk bij donateurs wel vaak gezien wordt als een officiële erkenning van vertrouwen doet er niet toe. 

De meeste donatieplatformen konden vrij eenvoudig een ANBI-status krijgen en daarmee werden giften die via de platformen liepen in principe aftrekbaar. Bovendien kon het platform zelf giften doen zonder dat daarover schenkingsbelasting verschuldigd was. Het platform moest dan wel voldoen aan de eisen die de fiscus stelt aan de manier waarop de organisatie achter het platform is ingericht, aan integriteitseisen voor de bestuurders en de publicatieplicht van beleidsplan, jaarverslag en jaarrekening. Inmiddels zijn de eisen voor een ANBI-status en CBF-erkenning gelijk getrokken, zodat al deze eisen ook gelden voor registratie als goed doel in het CBF-register.

Of enkel en alleen loketinstelling?

De ANBI-status hebben veel donatieplatformen een paar jaar geleden echter weer moeten inleveren, omdat de platformen in het vervolg alleen als ‘loketinstelling’ werden gezien – een term die eind 2014 werd geïntroduceerd in een besluit van de Staatssecretaris van Financiën. De redenatie is dat de donaties geoormerkt zijn. De platformen bepalen niet zelf aan welk doel het gedoneerde geld ten goede komt. Dat doet de donateur, en het platform geeft het geld als het ware alleen door. Bovendien, oordeelde de inspecteur, zou er hierdoor ongewenste giftenaftrek ontstaan, omdat de uiteindelijke ontvanger niet zelf een ANBI-status hoefde te hebben. 

Je kunt er veel over zeggen en van vinden, maar de argumentatie heeft in elk geval meer helderheid gebracht in hoe donatiecrowdfunding vanuit Den Haag wordt gezien. Maar het is ook de basis voor het tussen wal en schip raken van dit type crowdfunding. Waar voorheen kon worden geredeneerd dat een donatie door de donateur aan het platform werd gegeven, en het platform beloofde om vervolgens een donatie van hetzelfde bedrag aan het door de donateur gekozen doel te doen (net als veel goede doelen in feite doen), werd dit in de praktijk nu ongunstiger. Zonder ANBI-status kan een platform niet zelf giften doen die vrij zijn van schenkingsbelasting. En met gemiddelde eindbedragen van meer dan €6.500 per project, zouden ontvangers over het deel boven €2.173 (de vrijstellingsdrempel) 30% belasting moeten betalen. Dat is fors meer dan de 5% commissie van Dream or Donate die eerder dit jaar zelfs tot kamervragen leidde!  

Nog even over die goede doelen erkenning

Zo werken nu vrijwel alle donatieplatformen volgens de lijn dat zij donaties alleen maar in beheer hebben om door (of terug) te storten en zijn zij – in zoverre ze nog niet met een derdengeldenrekening werkten – in veel gevallen al door hun bank ‘verplicht’ om dat te gaan doen. Het is en blijft immers altijd geld van anderen. 

De keerzijde is dat het aanvragen van een CBF-erkenning voor donatieplatformen veel minder voor de hand liggend is geworden, ondanks dat het de uitstraling van betrouwbare instelling geeft. Ik heb zelf voor crowdfundingplatform Voor je Buurt het erkenningstraject (succesvol) doorlopen voordat de discussie over loketinstelling van start ging, maar daar hebben we de erkenning na een paar jaar opgezegd omdat de voordelen niet meer zo duidelijk waren. Het CBF gaat er namelijk van uit dat een organisatie een groot deel van zijn inkomsten (‘baten’) uit giften haalt, en dat de organisatie daartoe aan fondsenwerving doet – voor zichzelf. Ik kwam indertijd al voor de vraag te staan of alle donaties die via het platform liepen dan als baten moeten worden gezien, met als mogelijke consequentie dat ons vierkoppige team direct in een zware categorie voor grote goede doelenorganisaties zou worden ingedeeld. Maar ook bij het opstellen van de jaarrekening en het jaarverslag zijn de eisen afgestemd op fondsenwerving. En hoewel donatiecrowdfunding over giften gaat, is dat dus niet (meer) hoe het platform voor zijn eigen inkomsten werkt. 

Het is daarom veel te kort door de bocht om te zeggen dat donatieplatformen verplicht een CBF-erkenning zouden moeten hebben, of dat alleen platformen met zo’n erkenning te vertrouwen zijn. Dan moet het CBF eerst een erkenning maken die past bij de huidige praktijk van de platformen, en ik vermoed dat de sector wat te klein wordt gevonden voor zo’n aparte inspanning.  

Martijn Arnoldus